1.4006 / RVS 410 / X12Cr13

Martensitisch roestvast staal RVS 410, hardbaar tot circa 45 HRC en magnetisch: op maat gesneden, gezet en gelast

RVS 410 plaat 1.4006 met hard mat oppervlak en geslepen kant

1.4006 (X12Cr13, AISI 410) is martensitisch roestvast staal met circa 13 procent chroom en 0,08 tot 0,15 procent koolstof, en dat maakt het als enige RVS-familie echt hardbaar: na afschrikken vanaf 950 tot 1.010 graden en laag temperen komt de hardheid op circa 38 tot 45 HRC. In de gangbare leverstand +QT650 ligt de treksterkte tussen 650 en 850 MPa bij een rekgrens van minimaal 450 MPa en maximaal 22 HRC. Het materiaal is in elke toestand magnetisch, want de structuur is ruimtelijk gecentreerd en niet austenitisch. De corrosieweerstand is duidelijk lager dan die van 304 of 316: de PREN ligt rond 12 en chloride of zeewater valt af. Van Hengstum Metaal snijdt, zet en last 1.4006 in eigen huis in Soest.

MateriaaleigenschappenEN 10088-2 en EN 10088-3, aanduiding X12Cr13
Werkstofnummer1.4006
EN-aanduidingX12Cr13
AISI / UNSAISI 410 / UNS S41000
Buitenlandse equivalentenAFNOR Z10C13, JIS SUS 410, BS 410S21
StructuurMartensitisch, hardbaar
Chroom (Cr)11,5 tot 13,5 %
Koolstof (C)0,08 tot 0,15 %
Nikkel (Ni)max. 0,75 %
Molybdeen (Mo)geen
Treksterkte (Rm), +QT650650 tot 850 MPa
Rekgrens (Rp0,2), +QT650min. 450 MPa
Rek bij breuk (A), +QT650min. 15 %
Hardheid, zacht gegloeid (+A)circa 155 tot 200 HB
Hardheid, geleverd in +QT650max. 22 HRC, circa 190 tot 250 HB
Hardheid, gehard en laag getemperdcirca 38 tot 45 HRC
PRENcirca 12 tot 13
Dichtheid7,7 g/cm³
MagnetischJa, in elke toestand
Wij bewerken 1.4006 / RVS 410 / X12Cr13 met:LasersnijdenZetwerkVerspanenLassen

Eigenschappen van RVS 1.4006 (AISI 410)

1.4006 is de eerste soort die u tegenkomt zodra u roestvast staal nodig hebt dat hard moet worden. Het is martensitisch, en dat is een wezenlijk andere familie dan de austenitische soorten waar de meeste plaatwerkers dagelijks mee werken. De legering is eenvoudig: 11,5 tot 13,5 procent chroom, 0,08 tot 0,15 procent koolstof, geen molybdeen en vrijwel geen nikkel. Die koolstof is het hele punt. Zonder koolstof kunt u chroomstaal niet harden, en met 0,08 tot 0,15 procent kunt u dat wel.

Het mechanisme is hetzelfde als bij ongelegeerd gereedschapsstaal. Verhit u 1.4006 tot 950 tot 1.010 graden, dan gaat de structuur over in austeniet en lost de koolstof daarin op. Schrikt u vanaf die temperatuur snel af in olie of, bij dun werk, in lucht, dan heeft de koolstof geen tijd om uit te scheiden en klapt de structuur om naar martensiet: een sterk vervormd, met koolstof overladen kristalrooster dat hard en bros is. Direct na het afschrikken meet u circa 41 tot 45 HRC. Daarna volgt temperen om de brosheid eruit te halen, en de temperatuur waarop u dat doet bepaalt wat u overhoudt.

Het chroom doet er in tweede instantie ook nog iets: bij 11,5 procent en meer vormt zich een passieve chroomoxidelaag, waardoor 1.4006 formeel roestvast staal is. Maar reken u niet rijk. Een deel van dat chroom zit vastgelegd in chroomcarbiden en er is geen molybdeen om de laag tegen chloride te beschermen. Uitgedrukt in het PREN-getal komt 1.4006 rond 12 uit, tegenover circa 18 voor 1.4301 (RVS 304). Dit is dus een hard staal dat een beetje roestvast is, en niet een roestvast staal dat een beetje hard is.

Chemische samenstelling volgens EN 10088

  • Chroom (Cr): 11,5 tot 13,5 %
  • Koolstof (C): 0,08 tot 0,15 %
  • Nikkel (Ni): max. 0,75 %
  • Mangaan (Mn): max. 1,5 %
  • Silicium (Si): max. 1,0 %
  • Fosfor (P): max. 0,040 %
  • Zwavel (S): max. 0,015 %
  • Molybdeen (Mo): niet gelegeerd
  • IJzer (Fe): rest

Werkstofnummer, X12Cr13, AISI 410 en de valkuil 410S

Hetzelfde staal komt onder vier namen voor. 1.4006 is het werkstofnummer op Europese materiaalcertificaten. X12Cr13 is de bijbehorende naam volgens EN 10088, waarin u de samenstelling terugleest: 0,12 procent koolstof, 13 procent chroom. AISI 410 is de Amerikaanse aanduiding, met UNS S41000 als nummer, en in Frankrijk komt u Z10C13 tegen. Op oude tekeningen staat soms nog het DIN-nummer met dezelfde 1.4006.

Let op drie soorten die erop lijken en het niet zijn. 1.4000 (X6Cr13, AISI 410S) heeft maximaal 0,08 procent koolstof en is daardoor ferritisch en niet hardbaar: bestelt u 410S waar u 410 bedoelt, dan krijgt u zacht materiaal dat na warmtebehandeling nog steeds zacht is. 1.4005 (X12CrS13, AISI 416) is dezelfde 410 met zwavel toegevoegd voor betere verspaanbaarheid, ten koste van corrosieweerstand en lasbaarheid. En 1.4057 (X17CrNi16-2, AISI 431) heeft meer chroom en 1,5 tot 2,5 procent nikkel, waardoor het zowel harder als corrosievaster is dan 1.4006, maar ook duurder en slechter verspaanbaar. Wilt u hoger uitkomen in hardheid, dan gaat u naar 1.4021 (RVS 420).

Waarom is RVS 410 magnetisch en RVS 304 niet?

Omdat het kristalrooster anders is, en niet omdat het minder roestvast zou zijn. Dat is de verwarring die de magneetproef in stand houdt.

Austenitisch RVS zoals 304 en 316 heeft een vlakgecentreerd kubisch rooster, austeniet. Die structuur is niet ferromagnetisch: de relatieve permeabiliteit ligt rond 1,02 en een magneet blijft er in zacht gegloeide toestand niet aan hangen. Austeniet is bij kamertemperatuur alleen stabiel doordat er 8 tot 13 procent nikkel in zit, en dat nikkel is precies wat 1.4006 niet heeft: maximaal 0,75 procent.

Zonder die nikkel valt de structuur bij afkoeling terug op ruimtelijk gecentreerd, dus op ferriet of, na afschrikken, op de tetragonaal vervormde variant daarvan die martensiet heet. Beide zijn ferromagnetisch, met een relatieve permeabiliteit die ruim boven de honderd uitkomt. Het gevolg: 1.4006 is magnetisch in elke toestand. Zacht gegloeid, gehard, getemperd, gelast, gesneden, het maakt niet uit. Bij 304 en 316 is magnetisme een gevolg van koud vervormen dat alleen in de zetnaad en langs de knipkant zit, bij 1.4006 zit het in het materiaal zelf.

Praktisch betekent dat drie dingen. U kunt 1.4006 op een magneettafel opspannen en magnetisch vlakslijpen, wat bij austenitisch RVS niet gaat. Magnetische scheiders en metaaldetectoren in de levensmiddelen- en recyclingindustrie pikken 1.4006 er wel uit en austenitisch RVS niet, en dat is dus een ontwerpkeuze. En restmagnetisme in de plaat kan bij het lassen blaaswerking van de boog geven; ontmagnetiseren voor het lassen lost dat op. Wat u er niet mee kunt: met een magneet vaststellen of iets roestvast is. Een magneet meet de kristalstructuur, niet de corrosieweerstand.

Harden, temperen en gloeien van 1.4006

De temperaturen hieronder zijn richtwaarden; houd altijd de opgave van uw warmtebehandelaar aan, want sectiedikte en houdtijd bepalen mee wat eruit komt.

Behandeling Temperatuur Afkoelen Resultaat
Zacht gloeien (+A) 750 tot 820 °C, circa 4 uur houden In de oven of in stilstaande lucht circa 155 tot 200 HB, best verspaanbaar
Subkritisch gloeien 650 tot 760 °C Lucht circa 190 HB, spanningsarm
Austenitiseren (oplosgloeien) 950 tot 1.010 °C, 30 tot 90 min n.v.t., dit is de houdstap koolstof in oplossing
Afschrikken vanaf 950 tot 1.010 °C Olie of polymeer boven circa 6 mm, lucht bij dunner werk circa 41 tot 45 HRC, bros
Laag temperen, voor hardheid 205 tot 370 °C, 1 tot 2 uur Lucht circa 38 tot 45 HRC
Brosheidsgebied, vermijden circa 370 tot 550 °C n.v.t. kerfslagwaarde en corrosieweerstand dalen sterk
Hoog temperen, voor taaiheid 600 tot 750 °C, 1 tot 2 uur Lucht circa 22 tot 31 HRC, +QT650 komt hieruit
Nagloeien na lassen 700 tot 750 °C Langzaam, in lucht martensiet in de warmtebeïnvloede zone getemperd

Dat brosheidsgebied is de belangrijkste regel op deze pagina. Temperen tussen ruwweg 370 en 550 graden geeft bij 13-procents-chroomstaal het verschijnsel dat als 475-gradenbrosheid bekendstaat: de kerfslagwaarde zakt weg en de corrosieweerstand gaat achteruit, terwijl de hardheid nauwelijks verandert. U temperen dus óf laag, onder 370 graden, als u de hardheid wilt houden, óf hoog, boven 600 graden, als u taaiheid wilt. Het gebied ertussen levert het slechtste van twee werelden. Een onderdeel dat continu tussen 400 en 550 graden bedrijft, ondergaat in feite dezelfde behandeling, dus dat is ook geen bedrijfsgebied voor dit materiaal.

Leverstanden: wat +A en +QT650 betekenen

Op een certificaat van 1.4006 staat achter de aanduiding een toestandscode, en die bepaalt de mechanische waarden volledig. +A is zacht gegloeid: treksterkte maximaal 730 MPa, hardheid circa 155 tot 200 HB. Dit is de toestand waarin u snijdt, zet en verspaant. +QT650 is gehard en op circa 650 graden getemperd: rekgrens minimaal 450 MPa, treksterkte 650 tot 850 MPa, rek bij breuk minimaal 15 procent, kerfslagwaarde minimaal 25 J en hardheid maximaal 22 HRC. Dat is de standaard leverstand voor stafmateriaal en constructiedelen. Vraagt u om hardheid boven 30 HRC, dan is dat geen leverstand meer maar een warmtebehandeling die na het maken van het onderdeel wordt uitgevoerd.

Fysische eigenschappen

Eigenschap Waarde
Dichtheid (soortelijk gewicht) 7,7 g/cm³ oftewel 7.700 kg/m³
Elasticiteitsmodulus bij 20 °C circa 215 GPa
Smelttraject circa 1.480 tot 1.530 °C
Warmtegeleidingscoefficient bij 20 °C circa 25 tot 30 W/m·K
Uitzettingscoefficient 20 tot 100 °C circa 10,5 µm/m·K
Soortelijke warmte bij 20 °C circa 460 J/kg·K
Soortelijke elektrische weerstand circa 0,55 tot 0,60 Ω·mm²/m
Magnetisch gedrag Ferromagnetisch in elke toestand
Maximale gebruikstemperatuur, constructief circa 400 °C
Oxidatiebestendig tot circa 650 °C

Twee cijfers uit deze tabel verdienen aandacht bij het rekenen. De dichtheid van 7,7 g/cm3 ligt lager dan de 8,0 van 316 en zelfs iets onder de 7,85 van constructiestaal, dus reken met 7,7 kg per vierkante meter per millimeter dikte. En de warmtegeleiding van circa 25 tot 30 W/m·K is ongeveer het dubbele van die van austenitisch RVS. Dat is bij het lassen merkbaar: de warmte loopt sneller weg uit de naad, waardoor de afkoelsnelheid hoger is en er dus gemakkelijker martensiet ontstaat. Precies daarom moet er worden voorverwarmd.

1.4006 / RVS 410 / X12Cr13 op maat laten bewerken?

Stuur uw tekening of vraag en u ontvangt snel een scherpe offerte, inclusief onze gratis maakbaarheidscontrole.

RVS 410, 420 of 430F: welke martensitische kwaliteit heeft u nodig?

Kort antwoord: 1.4006 als u hardheid én een beetje corrosieweerstand én lasbaarheid wilt combineren, 1.4021 als de hardheid boven 45 HRC uit moet, en 1.4104 als het onderdeel veel verspaand moet worden. Er zijn maar twee legeringselementen die de keuze bepalen. Koolstof bepaalt hoe hard u komt, zwavel bepaalt hoe goed het verspaant, en beide gaan ten koste van corrosieweerstand en lasbaarheid.

1.4006 zit op alle drie de assen in het midden en dat is precies waarom het de meest gebruikte martensitische soort is. Met 0,08 tot 0,15 procent koolstof komt u na harden en laag temperen op circa 38 tot 45 HRC, ruim genoeg voor een klepzitting, een as of een mesbalk. De rek bij breuk blijft in +QT650 op minimaal 15 procent, dus het onderdeel breekt niet bij de eerste stoot. En met maximaal 0,015 procent zwavel is het, met voorverwarmen en nagloeien, nog te lassen.

1.4021 (RVS 420, X20Cr13) heeft met 0,16 tot 0,25 procent koolstof ruim het dubbele en komt daarmee op circa 48 tot 52 HRC. Dat is het gebied waar een industrieel mes een snijkant houdt. U betaalt daarvoor met taaiheid, met lasbaarheid die in de praktijk op nee uitkomt, en met corrosieweerstand: al die extra koolstof legt chroom vast in carbiden en haalt het dus weg uit de passieve laag. Wie nog hoger moet, komt bij 1.4028 (X30Cr13) en 1.4034 (X46Cr13) terecht, de echte messenstalen.

1.4104 (RVS 430F, X14CrMoS17) is een ander soort keuze. Met 0,15 tot 0,35 procent zwavel is dit roestvast automatenstaal: de mangaansulfide-insluitingen breken de spaan en maken het uitstekend verspaanbaar op de draaibank, waar 1.4006 en 1.4021 juist matig verspanen. Er zit ook meer chroom in, 15,5 tot 17,5 procent, plus 0,20 tot 0,60 procent molybdeen. Op papier levert dat een hogere PREN, maar de zwavelinsluitingen zijn in de praktijk startpunten voor putcorrosie, dus die winst haalt u niet. Lassen kunt u het niet, want zwavel geeft warmscheuren. 1.4104 wordt meestal in +QT650 geleverd rond 25 HRC en zelden gehard.

Vergelijkingstabel martensitisch en austenitisch roestvast staal

Eigenschap 1.4006 (410) 1.4021 (420) 1.4104 (430F) 1.4301 (304)
Structuur Martensitisch Martensitisch Martensitisch, automatenstaal Austenitisch
Koolstof (%) 0,08 tot 0,15 0,16 tot 0,25 0,10 tot 0,17 max. 0,07
Chroom (%) 11,5 tot 13,5 12,0 tot 14,0 15,5 tot 17,5 17,5 tot 19,5
Molybdeen (%) geen geen 0,20 tot 0,60 geen
Zwavel (%) max. 0,015 max. 0,015 0,15 tot 0,35 max. 0,015
Treksterkte in +QT (MPa) 650 tot 850 700 tot 950 650 tot 850 500 tot 700
Rekgrens in +QT (MPa) min. 450 min. 500 tot 600 min. 500 min. 190 tot 230
Rek bij breuk in +QT (%) min. 15 min. 12 tot 13 min. 12 min. 45
Hardheid, gehard (HRC) circa 38 tot 45 circa 48 tot 52 circa 40, ongebruikelijk niet hardbaar
Hardheid, zacht gegloeid circa 155 tot 200 HB circa 200 tot 230 HB max. 220 HB max. 215 HB
Verspaanbaarheid Matig Matig tot slecht Zeer goed Matig, werkt uit
Lasbaarheid Matig, voorverwarmen en nagloeien Slecht, in de praktijk niet Niet aanbevolen Uitstekend
PREN circa 12 tot 13 circa 12 tot 14 nominaal 16 tot 18, praktisch lager circa 18
Chloride en zeewater Nee Nee Nee Beperkt
Magnetisch Ja, altijd Ja, altijd Ja, altijd Nee, zacht gegloeid
Typisch gebruik Assen, kleppen, pompdelen Messen, snijgereedschap Draaidelen, spindels, fittingen Algemeen plaatwerk

De corrosiegrens van 1.4006, en waar u wel naartoe moet

Dit is de belangrijkste beperking en het is beter er te veel dan te weinig over te zeggen. 1.4006 is roestvast in droge tot matig vochtige binnenlucht, in zoet water, in stoom en in veel milde organische media. Het is niet bedoeld voor chloride. Zeewater, brak water, pekel, strooizout, zwembadlucht, chloorhoudende reinigingsmiddelen en zoute levensmiddelen geven putcorrosie, en in de gehárde toestand ook nog een verhoogd risico op spanningscorrosie omdat de restspanningen hoog zijn.

Het gedrag hangt bovendien af van de warmtebehandeling. De corrosieweerstand is het hoogst wanneer het staal is gehard en laag getemperd, want dan zit het chroom in oplossing in de matrix. Temperen in het brosheidsgebied van circa 370 tot 550 graden verlaagt de corrosieweerstand meetbaar, en een ruw of geoxideerd oppervlak verlaagt hem verder. Een gepolijst en gepassiveerd oppervlak presteert daarom aanzienlijk beter dan een gestraald of aangelopen oppervlak.

Moet het onderdeel wél tegen chloride, dan houdt de martensitische familie op. Voor zeewater, pekel en zwembadomgeving gaat u naar 1.4401 (RVS 316) met een PREN rond 24, en bij hoge chloridegehaltes of temperaturen boven zestig graden naar duplex 1.4462 met een PREN rond 35. Die soorten kunt u niet harden, dus als een onderdeel zowel 40 HRC als chloridebestendigheid moet halen, is er geen enkelvoudig materiaal dat dat doet. Dan wordt het een gehard inzetstuk in een austenitische constructie, een oppervlaktebehandeling of een opgelaagde slijtlaag.

1.4006 of Hardox: wanneer kiest u wat?

Beide worden om hun hardheid gekozen en ze concurreren zelden op hetzelfde onderdeel. Hardox 400 komt met circa 370 tot 430 HBW, ruwweg 40 tot 45 HRC, al gehard van de fabriek en is in grote plaatformaten leverbaar; Hardox 500 zit rond 470 tot 540 HBW. Dat is dezelfde of een hogere hardheid dan 1.4006 haalt, voor een fractie van de materiaalprijs, en het is te lassen en te zetten zonder dat er nadien een warmtebehandeling nodig is.

Kies Hardox als het slijtvlak een plaat is en corrosie geen rol speelt: goten, trechters, stortbakken, slijtstroken, bakmessen, zeefplaten, laadvloeren. De hardheid zit door de hele dikte, de plaat komt gehard binnen en u hoeft er niets aan te doen. Kies 1.4006 als het onderdeel eerst verspaand of gepolijst moet worden en daarna hard, als er vocht of een mild chemisch medium in het spel is waar ongelegeerd slijtstaal simpelweg roest, of als het om een klein, roterend of afdichtend onderdeel gaat: een as, een spil, een klepzitting, een messenbalk in een productielijn die dagelijks wordt gereinigd. Hardox is een plaatoplossing, 1.4006 is een onderdeeloplossing.

Nog een praktisch punt over de vorm. 1.4006 wordt overwegend als stafmateriaal volgens EN 10088-3 gemaakt; plaat volgens EN 10088-2 is in deze kwaliteit beperkt leverbaar en de gangbare diktes en formaten zijn kleiner dan bij 304 of 316. Voor een plaatdeel in de dikte die u wilt is het daarom verstandig eerst de leverbaarheid te laten nakijken, en soms is een gehard slijtstaal of een austenitische plaat met een opgelaagde slijtlaag de praktischer route.

Gratis controle
& advies

In-house glasparelen, poedercoaten en stralen.

Alle metaalsoorten beschikbaar

RVS 1.4006 bewerken

Lasersnijden

1.4006 laat zich goed lasersnijden op de fiberlaser, met stikstof als snijgas zodat de kant blank blijft. Er is wel één eigenschap die u bij austenitisch RVS niet hebt: de snijkant hardt op. De laser verhit een smalle zone tot boven 950 graden en de omringende plaat schrikt die vervolgens af, dus langs de snede ontstaat een dun laagje martensiet dat 40 HRC of meer kan meten. Dat merkt u pas bij de volgende bewerking, wanneer een boor of een tapeind op die harde rand stuit. Moeten er gaten worden getapt of moet de kant worden nabewerkt, laat de plaat dan na het snijden subkritisch gloeien op 650 tot 760 graden, of houd bij het uitnesten materiaal over zodat u de harde zone wegneemt. Snijwerk gaat bij ons standaard binnen 72 uur de deur uit.

Zetten

Zetten doet u in zacht gegloeide toestand, nooit in geharde toestand. Met een rek bij breuk van minimaal 15 procent in +QT650 en wat meer in +A is 1.4006 vervormbaar, maar het is een derde van wat 304 aankan en dat is bij zetwerk in RVS goed te voelen. Houd een ruimere binnenradius aan dan u gewend bent, in de praktijk circa anderhalf tot twee keer de plaatdikte, en zet waar mogelijk dwars op de walsrichting. De terugvering is beperkter dan bij austenitisch RVS omdat de rekgrens hoger ligt ten opzichte van de treksterkte, maar de kans op scheuren in de buitenvezel is groter. Zit er een lasersnede in de buigzone, dan is de harde snijkant het startpunt van zo’n scheur, dus die kant eerst wegnemen of gloeien. De volgorde is altijd: snijden, zetten, dan harden.

Lassen

Martensitisch RVS lassen vraagt een procedure, want het materiaal hardt zichzelf op in de warmtebeïnvloede zone. Bij afkoeling vormt zich daar martensiet, en die zone is hard, bros en gevoelig voor waterstofscheuren. Drie maatregelen horen erbij.

Voorverwarmen op 200 tot 300 graden en die temperatuur ook als tussenlaagtemperatuur aanhouden. Dat vertraagt de afkoeling, zodat de martensietvorming geleidelijk verloopt in plaats van in één schok. Nagloeien direct na het lassen op 700 tot 750 graden, dus onder de omzettingstemperatuur, en daarna langzaam laten afkoelen. Daarmee tempert u het martensiet in de las en de warmtebeïnvloede zone en haalt u de brosheid en de restspanning eruit. Laat het werkstuk tussen lassen en nagloeien niet volledig afkoelen. En de juiste toevoeging: gelijkwaardig lassen doet u met een 410-type draad of elektrode, wat een las oplevert die net als het basismateriaal hardbaar is maar wel nagegloeid moet worden. Kan er niet worden nagegloeid, dan neemt u een austenitische toevoeging als 309L, die een taaie las geeft die de spanning opneemt, of een nikkelbasistoevoeging van het ERNiCr-3-type. Die las wordt dan niet hard, dus dat is geen keuze voor een slijtvlak.

Twee praktische punten. Het restmagnetisme in de plaat kan blaaswerking van de boog geven; ontmagnetiseer dan voor het lassen. En de warmtegeleiding van 1.4006 is ongeveer het dubbele van die van 304, dus de warmte loopt sneller weg uit de naad en de afkoeling gaat sneller dan u bij RVS gewend bent. Voor constructief werk lassen wij gecertificeerd volgens EN 1090.

Verspanen

Verspaan in zacht gegloeide toestand, bij circa 155 tot 200 HB, en hard daarna. Bij het verspanen gedraagt 1.4006 zich beter dan austenitisch RVS omdat het minder koud uitwerkt en kortere spanen geeft, maar de spaan is abrasief en de standtijd van het gereedschap valt lager uit dan bij constructiestaal. Als richtwaarde voor draaien met gecoat hardmetaal in +A ligt de snijsnelheid grofweg tussen 100 en 180 m/min; in +QT650 gaat daar een derde af. Scherp gereedschap, een ruime spaandikte en royaal koelen. Reken bij het harden op maatverandering: martensiet heeft een groter volume dan austeniet, dus het onderdeel groeit enkele tienden van een procent en kan kromtrekken. Nauwe toleranties zet u daarom na de warmtebehandeling, door slijpen. Moet er veel verspaand worden en is 40 HRC niet nodig, kies dan 1.4104.

Oppervlakteafwerking

1.4006 laat zich met 13 procent chroom en weinig insluitingen goed polijsten, tot hoogglans, en dat is een van de redenen dat het in kleppen, spiegelende afdekkingen en sanitaire delen wordt gebruikt. De afwerking is hier bovendien functioneel en niet cosmetisch: een glad, schoon oppervlak houdt het aanzienlijk langer uit dan een ruw of aangelopen oppervlak. Na harden, slijpen of lassen hoort er dus een reiniging op, en passiveren in salpeterzuur bouwt de chroomoxidelaag weer op. Beitsen kan, maar met een middel dat op martensitisch staal is toegelaten, want de gangbare RVS-beitspasta’s zijn op deze soort agressiever. Wij verzorgen in eigen huis stralen, glasparelen en poedercoaten. Een blank, nog niet gepassiveerd onderdeel moet gebeoliëd of droog worden opgeslagen, want blanke 1.4006 slaat in een vochtige werkplaats sneller aan dan u van RVS verwacht.

Toepassingen van RVS 410

  • Messen en snijgereedschap: industriële messen, mesbalken, snijranden en kanters die dagelijks worden gereinigd en dus niet in gewoon gereedschapsstaal kunnen. Voor snijkanten die scherper moeten blijven wordt 1.4021 of 1.4028 gekozen.
  • Kleppen en klepzittingen: afsluiterdelen, zittingen, spindels en klephuisdelen waar een hard, glad afdichtvlak nodig is in water, stoom of een mild medium.
  • Assen en spillen: assen, tapeinden, bussen en penverbindingen die roterend belast worden en waar een gehard oppervlak de levensduur bepaalt.
  • Pompdelen: pomphuisdelen, wielen en asafdichtingsvlakken in de procesindustrie, mits het medium chloridevrij is.
  • Slijtdelen en machinedelen: nokken, aanslagen, geleiders, kettingwielen en delen die op slijtage werken in een omgeving die te vochtig is voor ongelegeerd staal maar niet agressief genoeg om 316 te rechtvaardigen.
  • Warme, droge omgeving: onderdelen in droge lucht tot circa 400 graden constructief en tot circa 650 graden wat oxidatie betreft, bijvoorbeeld in oven- en droogapparatuur, zolang de hardheid niet leidend is.

RVS 1.4006 op maat laten bewerken

Van Hengstum Metaal bewerkt 1.4006 in eigen huis in Soest. Wij snijden plaat op maat met de fiberlaser, zetten op CNC-kantbanken, lassen gecertificeerd, verspanen, assembleren en verzorgen de eindafwerking. De warmtebehandeling zelf, dus harden en temperen, laten wij bij een gespecialiseerde warmtebehandelaar uitvoeren en nemen wij in de doorlooptijd mee; geef bij de aanvraag door welke hardheid het onderdeel moet halen en in welke toestand u de plaat verwacht, want dat bepaalt de bewerkingsvolgorde. Doordat de rest van de keten onder een dak zit zijn de doorlooptijden kort, met snijwerk binnen 72 uur en 99% leverbetrouwbaarheid.

Wij leveren enkelstuks, prototypes en series. Voordat er iets wordt geproduceerd controleren we uw tekening gratis op maakbaarheid en denken we mee over plaatdikte, zetradius, snijvolgorde en de vraag of 1.4006 hier de juiste soort is of dat een gehard slijtstaal of een austenitische kwaliteit u beter uitkomt. Wij werken op plaat en plaatwerkconstructies; buis, profiel en bevestigingsmateriaal horen bij een handelsvoorraad en leveren wij niet. Hebt u een 3.1-materiaalcertificaat nodig, geef dat meteen door, want het bepaalt de inkoop en bij 1.4006 ook de leverstand. Vraag vrijblijvend een offerte aan en stuur uw tekening of DXF mee.

Veelgestelde vragen over 1.4006 / RVS 410 / X12Cr13

Wat is RVS 1.4006 (AISI 410)?

1.4006 is martensitisch roestvast staal met 11,5 tot 13,5 procent chroom en 0,08 tot 0,15 procent koolstof, en die koolstof maakt het hardbaar: na afschrikken vanaf 950 tot 1.010 graden en laag temperen komt u op circa 38 tot 45 HRC. Onder de Europese norm heet het X12Cr13, in de Amerikaanse indeling AISI 410 of UNS S41000. In de gangbare leverstand +QT650 ligt de treksterkte tussen 650 en 850 MPa bij een rekgrens van minimaal 450 MPa. Het is in elke toestand magnetisch en de corrosieweerstand is duidelijk lager dan die van 304 of 316.
Door het kristalrooster, niet door de corrosieweerstand. RVS 304 en 316 hebben een vlakgecentreerd austenitisch rooster dat niet ferromagnetisch is, en dat rooster is bij kamertemperatuur alleen stabiel dankzij 8 tot 13 procent nikkel. 1.4006 heeft maximaal 0,75 procent nikkel, dus de structuur valt terug op ruimtelijk gecentreerd ferriet of martensiet, en die zijn wel ferromagnetisch. Gevolg: 1.4006 is magnetisch in elke toestand, zacht gegloeid, gehard, getemperd of gelast. Bij 304 zit magnetisme alleen in de koud vervormde zetnaad. Een magneet meet dus de structuur en niet of iets roestvast is.
Austenitiseren op 950 tot 1.010 graden met 30 tot 90 minuten houdtijd, dan afschrikken in olie of polymeer boven circa 6 millimeter en in lucht bij dunner werk. Direct na het afschrikken meet u circa 41 tot 45 HRC. Na laag temperen op 205 tot 370 graden houdt u circa 38 tot 45 HRC over. Hoger komt u met deze legering niet, want de haalbare hardheid wordt begrensd door het koolstofgehalte van maximaal 0,15 procent. Moet het boven 45 HRC, kies dan 1.4021 met 0,16 tot 0,25 procent koolstof, dat op circa 48 tot 52 HRC uitkomt.
Tussen ruwweg 370 en 550 graden. In dat gebied treedt bij 13-procents-chroomstaal de zogenoemde 475-gradenbrosheid op: de kerfslagwaarde zakt weg en de corrosieweerstand gaat achteruit, terwijl de hardheid nauwelijks daalt. U krijgt dus het slechtste van twee werelden. Temper daarom óf laag, onder 370 graden, als u de hardheid wilt houden op circa 38 tot 45 HRC, óf hoog, boven 600 graden, als u taaiheid wilt en circa 22 tot 31 HRC accepteert. Ook als bedrijfstemperatuur is dat gebied ongeschikt, want continu bedrijf tussen 400 en 550 graden werkt als een temperbehandeling.
Dat zijn de leverstanden, en ze bepalen de mechanische waarden volledig. +A is zacht gegloeid: treksterkte maximaal 730 MPa en hardheid circa 155 tot 200 HB. Dat is de toestand waarin u snijdt, zet en verspaant. +QT650 is gehard en op circa 650 graden getemperd: rekgrens minimaal 450 MPa, treksterkte 650 tot 850 MPa, rek bij breuk minimaal 15 procent, kerfslagwaarde minimaal 25 J en hardheid maximaal 22 HRC. Dat is de standaardtoestand voor staf- en constructiedelen. Hardheid boven 30 HRC is geen leverstand maar een warmtebehandeling die na het maken van het onderdeel wordt uitgevoerd.
Koolstof en zwavel. 1.4006 (410) heeft 0,08 tot 0,15 procent koolstof en komt gehard op circa 38 tot 45 HRC, met matige verspaanbaarheid en beperkte lasbaarheid. 1.4021 (420) heeft 0,16 tot 0,25 procent koolstof en haalt circa 48 tot 52 HRC, maar is taaier noch lasbaar en corrosietechnisch iets slechter, want de extra koolstof legt chroom vast in carbiden. 1.4104 (430F) is roestvast automatenstaal met 0,15 tot 0,35 procent zwavel: uitstekend verspaanbaar, niet lasbaar en in de praktijk gevoelig voor putcorrosie langs de zwavelinsluitingen. Kies op hardheid, verspaanbaarheid of lasbaarheid, want alle drie tegelijk gaat niet.
Roestvast is het, maar de weerstand is duidelijk lager dan bij austenitisch RVS en voor chloride is het niet bedoeld. Met circa 12,5 procent chroom, geen molybdeen en geen stikstof komt de PREN rond 12 uit, tegenover circa 18 voor 304 en 24 voor 316. 1.4006 houdt het uit in droge tot matig vochtige binnenlucht, in zoet water, in stoom en in milde organische media. Zeewater, brak water, pekel, strooizout, zwembadlucht en chloorhoudende reinigingsmiddelen geven putcorrosie. Moet het daartegen, kies dan 1.4401 (316) met een PREN rond 24 of duplex 1.4462 met een PREN rond 35, en die kunt u niet harden.
Met een procedure, want de warmtebeïnvloede zone hardt zichzelf op en wordt daar hard, bros en gevoelig voor waterstofscheuren. Voorverwarmen op 200 tot 300 graden en die temperatuur als tussenlaagtemperatuur aanhouden, en direct na het lassen nagloeien op 700 tot 750 graden met langzame afkoeling. Laat het werkstuk daartussen niet volledig afkoelen. Gelijkwaardig last u met een 410-type draad of elektrode, wat nagloeien verplicht maakt. Kan er niet worden nagegloeid, neem dan een austenitische toevoeging als 309L of een nikkelbasistoevoeging van het ERNiCr-3-type; die las wordt taai maar niet hard, dus niet geschikt als slijtvlak.
Omdat 410 hardbaar is en A2 niet. Zelftappende en zelfborende schroeven moeten een draad in het materiaal snijden, en daarvoor is een hardheid rond 40 HRC nodig die austenitisch RVS nooit haalt: A2 is 304 en blijft onder 215 HB. De prijs is corrosieweerstand, want de PREN van 410 ligt rond 12 tegenover 18 voor A2. Buiten, aan de kust of in hardhout met looizuur roest 410 daarom eerder aan dan A2. Voor sterkte kiest u 410, voor duurzaamheid A2 of A4. Wij leveren zelf geen bevestigingsmateriaal; wij bewerken plaat en maken plaatwerkconstructies.
Ja. Van Hengstum Metaal snijdt 1.4006 op de fiberlaser, zet op CNC-kantbanken, last gecertificeerd volgens EN 1090, verspaant en verzorgt de eindafwerking, alles in eigen huis in Soest. Harden en temperen laten wij bij een gespecialiseerde warmtebehandelaar uitvoeren en nemen wij in de doorlooptijd mee, dus geef bij de aanvraag door welke hardheid het onderdeel moet halen en in welke leverstand u de plaat verwacht. Let op dat plaat in 1.4006 beperkt leverbaar is, omdat het gros van de productie stafmateriaal is. Stuur uw tekening of DXF in voor een vrijblijvende offerte met gratis maakbaarheidscontrole.