1.4410 / super duplex 2507 / X2CrNiMoN25-7-4

Super duplex 2507 met een PREN rond 42 en een rekgrens boven 550 MPa: op maat gesneden, gezet en gelast

Super duplex plaat 1.4410 met gestraald warmgewalst oppervlak en dikke gesneden kant

1.4410 (X2CrNiMoN25-7-4, UNS S32750) is superduplex met 24 tot 26 procent chroom, 3 tot 4,5 procent molybdeen en 0,24 tot 0,35 procent stikstof, waarmee de PREN rond 42 tot 43 uitkomt tegenover circa 35 voor duplex 2205 en circa 24 voor 316L. De rekgrens is minimaal 530 MPa voor warmgewalste plaat en minimaal 550 MPa koudgewalst, ruim het dubbele van 316L, dus in een spanningsgestuurd ontwerp kunt u dunner en lichter bouwen. Daar staat tegenover dat sigmafase en secundaire fasen zich hier sneller vormen dan bij 2205, waardoor warmte-inbreng en tussenlaagtemperatuur bepalend worden. Van Hengstum Metaal snijdt, zet en last 1.4410 in eigen huis in Soest.

MateriaaleigenschappenEN 10088-2 en EN 10088-3, aanduiding X2CrNiMoN25-7-4, UNS S32750
Werkstofnummer1.4410
EN-aanduidingX2CrNiMoN25-7-4
UNS / ASTMUNS S32750 / A240 plaat, A479 staf, A182 F53 smeeddeel
HandelsnamenSuper duplex 2507, SAF 2507, Outokumpu 2507
Chroom (Cr)24,0 tot 26,0 %
Nikkel (Ni)6,0 tot 8,0 %
Molybdeen (Mo)3,0 tot 4,5 %
Stikstof (N)0,24 tot 0,35 %
Koolstof (C)max. 0,030 %
PRENcirca 42 tot 43, minimaal 40
Rekgrens (Rp0,2)min. 530 MPa warmgewalst, min. 550 MPa koudgewalst
Treksterkte (Rm)730 tot 1.000 MPa, afhankelijk van producttoestand
Rek bij breuk (A)min. 20 % volgens EN, min. 15 % volgens ASTM A240
Hardheidmax. 310 HBW oftewel max. 32 HRC
Structuurcirca 50 % ferriet en 50 % austeniet, ferromagnetisch
Dichtheid7,8 g/cm³
Oplosgloeien1.040 tot 1.120 °C, daarna afschrikken
Gebruikstemperatuurcirca -50 tot +250 °C
Wij bewerken 1.4410 / super duplex 2507 / X2CrNiMoN25-7-4 met:LasersnijdenZetwerkVerspanenLassen

Eigenschappen van super duplex 1.4410 (2507)

1.4410 is de zwaarste plaatkwaliteit uit de duplexfamilie die in Nederland nog als handelsproduct te krijgen is. De structuur bestaat voor ongeveer de helft uit ferriet en voor de helft uit austeniet, net als bij duplex 1.4462, maar de legering is over de hele lijn zwaarder: 24 tot 26 procent chroom in plaats van 22, 3 tot 4,5 procent molybdeen in plaats van 3, en 0,24 tot 0,35 procent stikstof in plaats van 0,17.

Die drie verhogingen doen twee dingen tegelijk. Ze brengen de PREN, de gangbare rekenmaat voor putcorrosiebestendigheid, van circa 35 naar circa 42 tot 43. En ze brengen de rekgrens omhoog: minimaal 530 MPa voor warmgewalste plaat en minimaal 550 MPa voor koudgewalst materiaal, waar 316L op 200 tot 240 MPa zit. De grens PREN 40 is precies wat een legering superduplex maakt in plaats van duplex, en 1.4410 zit daar met marge boven.

De prijs daarvoor betaalt u in de verwerking. Alles wat bij duplex al oplet, moet bij superduplex strakker: de uitscheiding van sigmafase en secundaire fasen begint bij dezelfde temperaturen, maar gaat aanzienlijk sneller. Waar bij 1.4462 een vertraging van enkele minuten in het kritische gebied nog te overzien is, kan bij 1.4410 al onder de minuut schade ontstaan. Voor het achtergrondverhaal over wat sigmafase precies is en hoe die de taaiheid aantast, zie de pagina over duplex 1.4462. Hier gaat het om de gevolgen voor de parameters, en die staan verderop.

Chemische samenstelling volgens EN 10088-2

  • Chroom (Cr): 24,0 tot 26,0 %
  • Nikkel (Ni): 6,0 tot 8,0 %
  • Molybdeen (Mo): 3,0 tot 4,5 %
  • Stikstof (N): 0,24 tot 0,35 %
  • Koolstof (C): max. 0,030 %
  • Mangaan (Mn): max. 1,20 %
  • Silicium (Si): max. 1,0 %
  • Koper (Cu): max. 0,50 %
  • Fosfor (P): max. 0,035 %, zwavel (S): max. 0,015 %
  • IJzer (Fe): rest

Het lage nikkelgehalte van 6 tot 8 procent valt op. Dat is minder dan de 10 tot 13 procent van 316L, terwijl 1.4410 corrosietechnisch een klasse hoger zit. De stikstof neemt de rol van de austenietvormer over, en dat is ook de reden dat de prijs van superduplex minder heftig meebeweegt met de nikkelnotering dan die van austenitisch RVS.

Werkstofnummer, UNS S32750, F53 en de handelsnamen

Hetzelfde materiaal komt onder zeker zes namen langs en dat leidt bij het bestellen tot fouten. 1.4410 is het Europese werkstofnummer, het nummer dat op het materiaalcertificaat staat. X2CrNiMoN25-7-4 is de bijbehorende aanduiding volgens EN 10088, waarin u de samenstelling terugleest: 25 procent chroom, 7 procent nikkel, 4 procent molybdeen, plus de N voor stikstof. UNS S32750 is het Amerikaanse nummer, en 2507 is de bijbehorende korte naam die het chroom- en nikkelgehalte weergeeft. SAF 2507 is een merknaam van Sandvik, Outokumpu 2507 die van Outokumpu. Ziet u een van deze aanduidingen, dan gaat het om dezelfde legering.

Verder komt u de soort tegen onder de ASTM-productcodes. Voor plaat en band is dat ASTM A240, voor staf A479, voor smeeddelen A182 F53 en voor buis A790 en A928. Let op de F-codes, want die worden op tekeningen door elkaar gebruikt: F51 is S31803, de oude 2205, F60 is S32205, de huidige 2205, F53 is S32750 oftewel 1.4410, en F55 is S32760. Dat laatste is een andere legering, zie tekstveld hieronder.

Aan de onderkant van de reeks staat nog lean duplex 1.4162 (2101), met nauwelijks molybdeen en een PREN rond 26. Dat is de goedkope instap in de duplexfamilie en een heel ander product dan 1.4410, maar hij staat wel in dezelfde tabellen.

Is super duplex magnetisch?

Ja. Een ferritisch-austenitische structuur is ferromagnetisch, dus een magneet blijft aan 1.4410 hangen. Dat is normaal en het zegt niets over de corrosiebestendigheid: het ferriet in de structuur is juist een deel van de reden dat de rekgrens zo hoog ligt. Wie gewend is aan austenitisch RVS schrikt hier soms van bij de ingangscontrole, omdat een magneet daar juist als snelle bevestiging van “het is RVS” wordt gebruikt. Bij duplex en superduplex werkt die controle omgekeerd.

Wat een magneet niet kan, is 1.4410 van 1.4462 of van gewoon constructiestaal onderscheiden. Alleen het certificaat of een spectraalanalyse geeft daar uitsluitsel. De ferrietfractie zelf is met een ferritoscoop te meten en dat is bij gelast werk een reële controle: in het basismateriaal ligt die rond 45 tot 55 procent, in een correct uitgevoerde las tussen 30 en 60 procent.

Fysische eigenschappen

Eigenschap Waarde
Dichtheid (soortelijk gewicht) 7,8 g/cm³ oftewel 7.800 kg/m³
Elasticiteitsmodulus bij 20 °C 200 GPa
Smelttraject circa 1.350 tot 1.400 °C
Warmtegeleidingscoefficient bij 20 °C circa 15 tot 16 W/m·K
Uitzettingscoefficient 20 tot 100 °C circa 13 µm/m·K
Soortelijke warmte bij 20 °C circa 480 tot 500 J/kg·K
Soortelijke elektrische weerstand circa 0,80 Ω·mm²/m
Magnetiseerbaar Ja, ferromagnetisch
Gebruikstemperatuur, continu circa -50 tot +250 °C

Twee regels uit die tabel bepalen hoe het materiaal zich op de werkvloer gedraagt. De uitzettingscoefficient van circa 13 µm/m·K ligt een vijfde lager dan de circa 16,5 van austenitisch RVS, en de warmtegeleiding ligt iets hoger. Samen betekent dat minder vervorming bij het lassen dan u van RVS gewend bent, en dat het gedrag qua uitzetting dichter bij dat van koolstofstaal komt te liggen. Dat is bij het combineren van materialen in één constructie een prettige eigenschap.

De andere regel is de bovengrens van 250 °C, en die is een harde ontwerpgrens, geen richtlijn. Boven ongeveer 250 tot 300 °C treedt in het ferriet de zogenoemde 475-gradenbrosheid op en verliest het materiaal onomkeerbaar zijn taaiheid. Voor een warmtewisselaar of leiding die warmer wordt is superduplex dus geen optie, hoe goed de corrosiecijfers ook zijn. Aan de koude kant is 1.4410 juist goed bruikbaar: de Charpy-V-kerfslagwaarde blijft bij -50 °C doorgaans boven de 100 J. Voor een gewichtsberekening rekent u met 7,8 kg per vierkante meter per millimeter dikte, minder dan de 8,0 van 316L, wat de gewichtswinst nog iets vergroot.

1.4410 / super duplex 2507 / X2CrNiMoN25-7-4 op maat laten bewerken?

Stuur uw tekening of vraag en u ontvangt snel een scherpe offerte, inclusief onze gratis maakbaarheidscontrole.

Duplex 2205 of super duplex 2507: welke heeft u nodig?

Kort antwoord: neem 2507 alleen als de PREN van 2205 aantoonbaar tekortkomt, dus bij zeewater, pekel of chloridehoudend proceswater boven ongeveer vijftig graden, of als u de hogere rekgrens nodig hebt om dunner te kunnen bouwen. In alle andere gevallen doet duplex 1.4462 hetzelfde werk voor duidelijk minder geld en met ruimere lasparameters.

De reden om die grens zo scherp te stellen is dat het verschil tussen 2205 en 2507 niet in soort maar in graad zit. Beide zijn ferritisch-austenitisch, beide hebben een rekgrens ver boven austenitisch RVS, beide zijn ongevoelig voor chloridespanningscorrosie op het niveau waar 316L al bezwijkt. 1.4410 legt daar een schep bovenop, en die schep kost geld en beheersing.

Wat de PREN u wel en niet vertelt

PREN staat voor Pitting Resistance Equivalent Number en wordt berekend als het chroomgehalte plus 3,3 keer het molybdeengehalte plus 16 keer het stikstofgehalte, alles in gewichtsprocenten. Het is een rekengetal uit de samenstelling, geen meetwaarde, dus gebruik het om soorten te rangschikken en niet om een levensduur te voorspellen. De bijbehorende meetwaarde is de kritische puttemperatuur, de CPT, doorgaans bepaald volgens ASTM G48 methode A in 6 procent ijzerchloride. Die twee samen geven een bruikbaar beeld.

Soort Cr / Mo / N (%) PREN CPT in 6 % FeCl3 Rekgrens Rp0,2
1.4404 (316L) 17 / 2,1 / 0,05 circa 24 circa 15 tot 20 °C min. 200 tot 240 MPa
1.4162 (lean duplex 2101) 21,5 / 0,3 / 0,22 circa 26 circa 20 tot 30 °C min. 450 MPa
1.4462 (duplex 2205) 22 / 3,1 / 0,17 circa 35 circa 45 tot 50 °C min. 460 tot 500 MPa
1.4410 (super duplex 2507) 25 / 3,8 / 0,27 circa 42 tot 43 circa 80 tot 85 °C min. 530 tot 550 MPa
1.4501 (S32760) 25 / 3,5 + W / 0,25 circa 41 tot 42 circa 80 tot 85 °C min. 550 MPa
254 SMO (S31254) 20 / 6,1 / 0,20 circa 43 circa 75 tot 85 °C min. 300 MPa

Uit die tabel volgt de beslisregel. Tussen 316L en 2205 zit een sprong van circa 30 graden in kritische puttemperatuur, tussen 2205 en 2507 nog eens circa 35 graden. Zit uw medium qua temperatuur en chloridegehalte in het gebied waar 2205 net tekortschiet, bijvoorbeeld zeewaterkoeling, pekel of het concentraat van een omgekeerde-osmose-installatie, dan is 2507 de logische stap. Wilt u weten waar de grens van 316 en 316L precies ligt, dan staat dat op de pagina over RVS 316.

Onderaan de tabel staat 254 SMO (UNS S31254), een volaustenitisch 6Mo-staal dat met een heel andere samenstelling ongeveer dezelfde PREN haalt. Corrosietechnisch is dat een reëel alternatief voor 1.4410, maar de rekgrens is nog geen 300 MPa. Kiest u voor 254 SMO, dan verspeelt u het sterkteargument, en dat is voor plaatwerk vaak de helft van de businesscase.

Dunner construeren met een rekgrens boven 550 MPa

Dit is het tweede motief om 1.4410 te kiezen en het wordt vaker vergeten dan het corrosiemotief. Met een rekgrens van minimaal 530 tot 550 MPa tegenover 200 tot 240 MPa voor 316L hebt u ruim twee keer zoveel toelaatbare spanning. Voor een onderdeel waarvan de wanddikte door spanning wordt bepaald, bijvoorbeeld een tankwand, een drukvat of een geladen frame, betekent dat in de praktijk dertig tot veertig procent minder dikte bij dezelfde belasting. Reken daar de lagere dichtheid van 7,8 tegenover 8,0 g/cm3 bij en de gewichtswinst loopt op tot ruim de helft.

Er zit één belangrijke beperking aan. De elasticiteitsmodulus is met 200 GPa gelijk aan die van austenitisch RVS. Stijfheid koopt u dus niet: een plaat die dunner wordt gemaakt buigt en trilt evenredig meer. Voor onderdelen waarvan de dikte door doorbuiging, vlakheid of trillingsgedrag wordt bepaald in plaats van door spanning, levert de hogere rekgrens niets op en betaalt u alleen de meerprijs. Ook op knik en plooi moet u opnieuw rekenen. Wij nemen dat mee in de engineering als u het ontwerp bij ons neerlegt.

Wat kost super duplex 1.4410?

Als richtorde: grofweg twee tot drie keer de kiloprijs van 316L en ruwweg vijftig tot honderd procent boven duplex 2205. Dat verschil zit vooral in molybdeen, dat op de wereldmarkt duurder is dan nikkel, en in het feit dat 1.4410 in Nederland geen voorraadplaat is. De marge beweegt mee met de molybdeen- en nikkelnotering en verschilt van week tot week, dus vraag een actuele prijs aan in plaats van met een oud kengetal te rekenen.

Bij de totale kosten hoort meer dan de kiloprijs. Er staan minder kilo’s door de dunnere wand en een langere levensduur tegenover een langere levertijd, omdat de plaat vaak moet worden aangeschaft, en tegenover meer bewerkingstijd, met name in het lassen. Geef bij uw aanvraag door welk medium, welke temperatuur, welk chloridegehalte en welke plaatdikte u in gedachten hebt, dan rekenen wij de dikte en de kosten voor beide soorten door.

1.4410 tegenover 1.4501: S32750 of S32760

Twee superduplexsoorten die naast elkaar in de handel zitten en op tekeningen door elkaar worden gebruikt. 1.4410 (UNS S32750, F53) heeft 3 tot 4,5 procent molybdeen en verder geen bijzonderheden. 1.4501 (UNS S32760, F55), ook verkocht onder de merknaam Zeron 100, heeft daarnaast circa 0,5 tot 1 procent wolfraam en circa 0,5 tot 1 procent koper. Het wolfraam telt in de PREN mee als een halve portie molybdeen, waardoor beide soorten op een PREN rond 41 tot 43 uitkomen en in de praktijk als gelijkwaardig gelden.

Voor plaatwerk maakt de keuze meestal niet uit en bepaalt de leverbaarheid welke u krijgt. Twee kanttekeningen: schrijft uw specificatie of uw eindklant expliciet S32760 voor, dan is S32750 geen toegestane vervanging en omgekeerd, dus laat dat niet aan de inkoop over. En het koper in 1.4501 wordt in zwavelzuurhoudende media soms als voordeel opgevoerd. Voor de rest van de vergelijking, van bewerking tot lassen, geldt alles op deze pagina voor beide.

Vergelijkingstabel duplex en superduplex

Eigenschap 1.4404 (316L) 1.4162 (2101) 1.4462 (2205) 1.4410 (2507)
Structuur Austenitisch Lean duplex Duplex Superduplex
Chroom (%) 16,5 tot 18,5 21,0 tot 22,0 21,0 tot 23,0 24,0 tot 26,0
Nikkel (%) 10,0 tot 13,0 1,35 tot 1,70 4,5 tot 6,5 6,0 tot 8,0
Molybdeen (%) 2,0 tot 2,5 0,10 tot 0,80 2,5 tot 3,5 3,0 tot 4,5
Stikstof (%) max. 0,11 0,20 tot 0,25 0,10 tot 0,22 0,24 tot 0,35
PREN circa 24 circa 26 circa 35 circa 42 tot 43
Rekgrens (MPa) min. 200 tot 240 min. 450 min. 460 tot 500 min. 530 tot 550
Treksterkte (MPa) 500 tot 700 650 tot 900 640 tot 900 730 tot 1.000
Rek bij breuk (%) min. 40 min. 30 min. 25 min. 20
Dichtheid (g/cm³) 8,0 7,8 7,8 7,8
Magnetisch Nee Ja Ja Ja
Max. gebruikstemperatuur circa 550 °C circa 250 °C circa 250 °C circa 250 °C
Lastoevoeging 316L 23.7.N.L of 2205 22.9.3.L 25.10.4.L
Warmte-inbreng bij lassen Ruim Beheerst 0,5 tot 2,5 kJ/mm 0,2 tot 1,5 kJ/mm
Relatieve materiaalprijs Basis Rond 316L of lager Circa 1,5 tot 2 x 316L Circa 2 tot 3 x 316L
Gratis controle
& advies

In-house glasparelen, poedercoaten en stralen.

Alle metaalsoorten beschikbaar

Super duplex 1.4410 bewerken

Lasersnijden

1.4410 laat zich goed lasersnijden. Wij werken met stikstof als snijgas, zodat de snede blank blijft en de passieve laag niet wordt aangetast door oxidatie. Dat is bij deze soort geen cosmetische kwestie: op de plek waar 1.4410 wordt ingezet, is een geoxideerde kant een startpunt voor putcorrosie. De snijsnelheid ligt bij gelijke dikte tien tot twintig procent onder die van 316L, omdat de warmte sneller wegvloeit door de hogere geleiding. De warmte-invloedzone van een laserknip is smal en het materiaal koelt snel, dus de fasebalans blijft in orde. Bij plaat vanaf circa 15 mm wordt plasma of waterstraal een reëel alternatief; bij waterstraal is er helemaal geen thermische invloed.

Zetten

Reken op ongeveer twee keer de zetkracht die u voor 316L bij dezelfde dikte nodig hebt, want de rekgrens is ook ongeveer twee keer zo hoog. Dat betekent bij zetwerk in RVS dat de kantbank en het gereedschap de bepalende factor worden, niet het materiaal. Verder drie punten. De terugvering is groter dan bij austenitisch RVS door die hogere rekgrens, dus er moet verder worden doorgezet en er wordt vaker een proefzetting gemaakt. De rek bij breuk is met minimaal 20 procent lager dan de 40 procent van 316L, dus de binnenradius moet ruimer: in de praktijk twee tot tweeenhalf keer de plaatdikte, en bij voorkeur haaks op de walsrichting. En het materiaal is minder vergevingsgezind bij een beschadigde of vervuilde matrijs, omdat de hogere kracht elke afdruk zwaarder inzet. Zetten gebeurt koud, nooit warm: verwarmen om het zetten te vergemakkelijken brengt het materiaal precies in het temperatuurgebied waar u het niet wilt hebben.

Lassen van superduplex

Dit is de bewerking waarop een superduplexconstructie slaagt of faalt, en het is ook het punt waarop 1.4410 duidelijk meer eist dan 1.4462. De uitgangspunten:

  • Toevoeging: oververlegeerd superduplex van het type 25.10.4.L, dus ER2594 of E2594 volgens AWS A5.9 en A5.4, of G/W 25 9 4 N L volgens EN ISO 14343. De extra nikkel ten opzichte van het basismateriaal is er om in de snel afkoelende las voldoende austeniet te vormen. Een 2205-toevoeging van het type 22.9.3.L is hier fout: die geeft een las met een lagere PREN dan het plaatmateriaal, en dan wordt de las de zwakste schakel in de corrosieketen.
  • Warmte-inbreng: circa 0,2 tot 1,5 kJ/mm. Dat venster is aan beide kanten smaller dan de 0,5 tot 2,5 kJ/mm die bij 2205 gangbaar is. Te veel warmte geeft grofkorrelig ferriet en sigmafase, te weinig geeft een te ferritische las met te lage taaiheid.
  • Tussenlaagtemperatuur: maximaal circa 100 tot 150 °C, waar bij 2205 nog 250 °C wordt toegestaan. Bij meerlaags werk betekent dat wachten en meten, niet doorlassen.
  • Geen voorverwarmen anders dan het drogen van de plaat tot enkele tientallen graden, en geen gloeien na het lassen. Wordt er toch oplosgegloeid, dan moet dat bij 1.040 tot 1.120 °C met aansluitend afschrikken, en dus niet met langzaam afkoelen.
  • Formeergas: argon met 1 tot 2 procent stikstof aan de smeltbadzijde en argon of stikstof als backinggas, om stikstofverlies uit de las tegen te gaan. Stikstof is bij deze soort het element dat austeniet vormt en de PREN op peil houdt.
  • Fasebalans: in de las 30 tot 60 procent ferriet, te controleren met een ferritoscoop of via een metallografische opname op een proefstuk.

In de praktijk lassen wij 1.4410 met TIG voor dunne plaat en de wortellagen, en met MIG of gevulde draad voor de vullagen bij dikker werk. Bij dikke secties komt multipass lassen van duplex in beeld, met een vastgelegde laagopbouw en een gecontroleerde tussenlaagtemperatuur per laag. Voor constructief werk lassen wij gecertificeerd volgens EN 1090, en voor drukhoudende delen volgens de regels van EN 13445. Na het lassen wordt de aanloopkleur verwijderd door te beitsen en te passiveren: een blauw of bruin verkleurde zone naast de naad heeft een verarmde passieve laag en haalt de PREN van 42 niet, hoe goed de las er verder ook uitziet.

Verspanen

Reken op de zwaarste kant van roestvast staal. Met een rekgrens boven 530 MPa, een hoge verstevigingsneiging en de harde ferrietfase erbij ligt de snijsnelheid bij het verspanen ruwweg op de helft tot tweederde van die van 316L: als richtwaarde voor draaien met gecoat hardmetaal grofweg 50 tot 100 m/min. Verder gelden de bekende regels in versterkte vorm: stijve opstelling, scherpe positieve geometrie, ruime spaandikte, constante aanzet zonder in de snede stil te staan, en royaal koelen onder druk. Een te kleine spaandikte maakt het oppervlak harder in plaats van dat er materiaal afkomt, en op deze soort straft dat sneller af dan op 316L.

Afwerking

Plaat in 1.4410 wordt doorgaans geleverd als warmgewalst, gegloeid en gebeitst, dus als 1D of 1E, en in dunnere diktes als koudgewalst 2B. Bij deze soort geldt meer dan bij andere: hoe gladder en schoner het oppervlak, hoe hoger de daadwerkelijke weerstand tegen putcorrosie. Wij verzorgen in eigen huis stralen, glasparelen, slijpen, beitsen en passiveren. Let bij stralen op het straalmiddel, want ijzerdeeltjes uit gebruikt staalgrit gaan aan het oppervlak roesten en zetten daar putvorming in gang; wij stralen RVS daarom met glasparels of corund op een gescheiden lijn. Poedercoaten kan, maar is op 1.4410 zelden de bedoeling.

Toepassingen van super duplex 1.4410

  • Offshore en energie: platformdelen, leidingondersteuningen, brandblusleidingen op zeewater, injectiewatersystemen en constructiedelen die zoute lucht en zeewaterspray te verduren krijgen. Dit is de oorspronkelijke markt van de soort.
  • Ontzilting: omgekeerde-osmose-installaties en flash-verdampers, en met name het concentraatzijdige deel, waar chloride en temperatuur tegelijk oplopen en 2205 tekortkomt.
  • Pekel en zoutverwerking: pekelbaden, pekelleidingen, zoutoplossystemen en verwerkingsapparatuur in de voedingsmiddelen- en chemische industrie.
  • Chloridehoudend proceswater: koelwatersystemen op brak of zeewater, warmtewisselaarplaten en scrubbers voor rookgasontzwaveling, binnen de bovengrens van circa 250 °C.
  • Procesindustrie en chemie: tanks, reactordelen, leidingwerk en constructies in de procesindustrie, waaronder constructiewerk en leidingsystemen waar chloride en zuren samen voorkomen.
  • Pulp en papier: bleekstraten en apparatuur die met chlorietdioxide en chloridehoudend proceswater in contact staat.
  • Constructies in corrosieklasse C5: frames en dragende delen in zeer agressieve buitenomgevingen, zoals in ons voorbeeld van een duplex RVS-frame in corrosieklasse C5.

1.4410 op maat laten snijden, zetten en lassen

Van Hengstum Metaal bewerkt super duplex 1.4410 volledig in eigen huis in Soest. Wij snijden plaat op maat met de fiberlaser, zetten op CNC-kantbanken, lassen gecertificeerd, verspanen en verzorgen de eindafwerking, tot en met complete RVS-maatwerkconstructies en assemblage. Doordat de hele keten onder één dak zit blijven de doorlooptijden kort, met snijwerk binnen 72 uur en 99 procent leverbetrouwbaarheid. Wij werken op plaat en plaatwerkconstructies; buis, flenzen, fittingen en bouten in superduplex horen bij een handelsvoorraad en leveren wij niet uit voorraad.

Wij leveren enkelstuks, prototypes en series. Voordat er iets wordt geproduceerd controleren wij uw tekening gratis op maakbaarheid en denken we mee over plaatdikte, zetradius, laagopbouw van de las en afwerking. Bij 1.4410 levert dat meer op dan bij andere soorten, omdat een kleine ontwerpwijziging hier direct kilo’s en lasmeters scheelt. Houd rekening met de levertijd van de plaat zelf, want superduplex is in Nederland geen voorraadartikel. Vraagt uw project om een 3.1-materiaalcertificaat of om vastgelegde lasprocedures, geef dat dan bij de aanvraag door, want het bepaalt de inkoop en de planning. Vraag vrijblijvend een offerte aan en stuur uw tekening of DXF mee.

Veelgestelde vragen over 1.4410 / super duplex 2507 / X2CrNiMoN25-7-4

Wat is super duplex 1.4410 (2507)?

1.4410 is superduplex roestvast staal met een structuur van ongeveer de helft ferriet en de helft austeniet, met 24 tot 26 procent chroom, 6 tot 8 procent nikkel, 3 tot 4,5 procent molybdeen en 0,24 tot 0,35 procent stikstof. Daarmee komt de PREN rond 42 tot 43 uit, tegenover circa 35 voor duplex 2205 en circa 24 voor 316L. De rekgrens is minimaal 530 MPa warmgewalst en minimaal 550 MPa koudgewalst, de treksterkte 730 tot 1.000 MPa en de dichtheid 7,8 g/cm3. Onder de Europese norm heet het X2CrNiMoN25-7-4, in de Amerikaanse indeling UNS S32750.
Graad, niet soort. Beide zijn ferritisch-austenitisch, maar 1.4410 heeft 25 procent chroom in plaats van 22, tot 4,5 procent molybdeen in plaats van 3,5 en bijna twee keer zoveel stikstof. Daardoor stijgt de PREN van circa 35 naar circa 42 tot 43 en de kritische puttemperatuur van circa 45 tot 50 graden naar circa 80 tot 85 graden. De rekgrens loopt op van minimaal 460 tot 500 MPa naar minimaal 530 tot 550 MPa. De keerzijde: 1.4410 kost ruwweg vijftig tot honderd procent meer en het lasvenster is smaller, met een warmte-inbreng van 0,2 tot 1,5 kJ/mm.
Circa 42 tot 43, met 40 als ondergrens die een legering superduplex maakt. PREN staat voor Pitting Resistance Equivalent Number en wordt berekend als chroom plus 3,3 keer molybdeen plus 16 keer stikstof, in gewichtsprocenten. Het is een rekengetal uit de samenstelling en geen meetwaarde, dus gebruik het om soorten te rangschikken en niet om levensduur te voorspellen. De bijbehorende meetwaarde is de kritische puttemperatuur volgens ASTM G48 methode A: circa 80 tot 85 graden voor 1.4410, circa 45 tot 50 graden voor duplex 2205 en circa 15 tot 20 graden voor 316L.
De rekgrens Rp0,2 is minimaal 530 MPa voor warmgewalste plaat en minimaal 550 MPa voor koudgewalst materiaal, tegenover 200 tot 240 MPa voor 316L. Voor een onderdeel waarvan de dikte door spanning wordt bepaald, zoals een tankwand of een geladen frame, geeft dat in de praktijk dertig tot veertig procent minder wanddikte bij gelijke belasting. Let op de beperking: de elasticiteitsmodulus is met 200 GPa gelijk aan die van 316L, dus stijfheid koopt u niet. Waar doorbuiging, vlakheid of trillingsgedrag de dikte bepaalt, levert de hogere rekgrens niets op.
Volgens EN 10088-2 bevat X2CrNiMoN25-7-4 24,0 tot 26,0 procent chroom, 6,0 tot 8,0 procent nikkel, 3,0 tot 4,5 procent molybdeen en 0,24 tot 0,35 procent stikstof, met maximaal 0,030 procent koolstof, maximaal 1,20 procent mangaan, maximaal 1,0 procent silicium en maximaal 0,50 procent koper. De rest is ijzer. Het lage nikkelgehalte valt op tegenover de 10 tot 13 procent van 316L: de stikstof neemt de rol van austenietvormer over. Daarom volgt de prijs van superduplex de nikkelnotering minder direct dan die van austenitisch roestvast staal.
1.4410 is het Europese werkstofnummer, X2CrNiMoN25-7-4 de aanduiding volgens EN 10088 en UNS S32750 het Amerikaanse nummer. De korte naam 2507 geeft het chroom- en nikkelgehalte weer; SAF 2507 en Outokumpu 2507 zijn merknamen voor dezelfde legering. In de ASTM-wereld is plaat A240, staf A479, smeeddeel A182 F53 en buis A790 of A928. Let op de F-codes op tekeningen: F51 is S31803, F60 is S32205, beide 2205, F53 is 1.4410 en F55 is S32760, wat een andere legering is.
Ja, 1.4410 is ferromagnetisch, want een ferritisch-austenitische structuur met circa 50 procent ferriet blijft aan een magneet hangen. Dat zegt niets over de corrosiebestendigheid: het ferriet is juist mede de reden dat de rekgrens boven 530 MPa ligt. Wie gewend is de magneet als bevestiging van roestvast staal te gebruiken, krijgt hier dus een misleidend resultaat. De dichtheid is 7,8 g/cm3 oftewel 7.800 kg/m3, iets lager dan de 8,0 van 316L. Voor een gewichtsberekening rekent u met 7,8 kg per vierkante meter per millimeter dikte.
Met een oververlegeerde superduplex toevoeging van het type 25.10.4.L, dus ER2594 of E2594, of G/W 25 9 4 N L volgens EN ISO 14343. Een 2205-toevoeging is fout, want die geeft een las met een lagere PREN dan de plaat. Houd de warmte-inbreng tussen circa 0,2 en 1,5 kJ/mm en de tussenlaagtemperatuur onder circa 100 tot 150 graden, beide strenger dan bij 2205, omdat sigmafase en secundaire fasen zich hier sneller vormen. Voorverwarmen doet u niet, gloeien na het lassen ook niet. Formeer met argon plus 1 tot 2 procent stikstof en beits en passiveer daarna.
Beide zijn superduplex met circa 25 procent chroom en een PREN rond 41 tot 43, en in de praktijk gelden ze als gelijkwaardig. Het verschil is dat 1.4501, ook verkocht als Zeron 100 en op tekeningen als F55, daarnaast circa 0,5 tot 1 procent wolfraam en evenveel koper bevat, waar 1.4410 dat niet heeft. Wolfraam telt in de PREN mee als een halve portie molybdeen. Voor plaatwerk bepaalt vooral de leverbaarheid welke u krijgt, maar schrijft uw specificatie expliciet S32760 voor, dan is S32750 geen toegestane vervanging en omgekeerd.
Reken op grofweg twee tot drie keer de kiloprijs van 316L en ruwweg vijftig tot honderd procent boven duplex 2205, met een marge die meebeweegt met de molybdeen- en nikkelnotering. Superduplex is in Nederland geen voorraadplaat, dus de levertijd van het materiaal bepaalt vaak de planning. Van Hengstum Metaal bewerkt 1.4410 volledig in eigen huis in Soest: lasersnijden met stikstof, zetwerk op CNC-kantbanken, gecertificeerd lassen volgens EN 1090 met 25.10.4.L toevoeging, verspanen, beitsen en passiveren. Stuur uw tekening of DXF in voor een vrijblijvende offerte met gratis maakbaarheidscontrole en geef door of u een 3.1-materiaalcertificaat nodig hebt.